Louwers meet en regeltechniek failliet gaan

Meet the Gimp Videopodcast Episode Monochrome 2

1 PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's versi. De journaliste Wilma Cornelisse neemt een interview met mij op voor de .. Na de New School ben ik gaan studeren aan de UvA, aan de . Het bedrijf bestaat uit 23 werknemers en ik regel alles op communicatiegebied. .. je niet failliet gaat aan de waanzinnige kosten van 'de leukste dag van je leven'. 1 W E B I N A R S B I J Z O N D E R E B E D I N G E N SPREKER MR. M. GROOTVELD, LEGAL COUNSEL LABOUR AFFAIRS ABN AMRO 18 FEBRUARI

De klachten tegen het vs. Het middel betoogt allereerst dat de goede trouw, c. Voor zover dit al anders mocht zijn, zouden in elk geval zware eisen moeten worden gesteld aan de omstandigheden waaruit het gebrek aan goede trouw zou kunnen blijken onderd. Tenslotte komt het middel met motiveringsklachten op tegen de vaststelling van de rb. Zie HR 2 okt. Tijdens de proeftijd geldt voor de werknemer geen enkele vorm van ontslagbescherming: Zie voor de achtergronden D.

Christe SMA p. In verband met deze, voor de werknemer nogal ingrijpende, consequenties kan de proeftijd niet worden aangegaan voor een langere periode dan twee maanden. Aan deze maximumduur wordt door de rechtspraak strikt de hand gehouden. Conversie van een te lange, en daarom nietige, proeftijd in een proeftijd van twee maanden is niet mogelijk: Opschorting van een proeftijd kan niet, ook niet in geval van ziekte van de werknemer: Verlenging van een proeftijd is onder alle omstandigheden uit te sluiten: Men spreekt in dit verband wel van de 'ijzeren proeftijd'.

In het SER-advies van over de herziening van het ontslagrecht is bepleit om dit ijzeren karakter van de proeftijd onverkort te handhaven: Wat er tenslotte van de herziening van het ontslagrecht terecht zal komen, is nog steeds ongewis. De vraag doet zich nl. Boot SR p. Zie ook het opstel van M. Rood in de Frenkel- bundel 'over de goede trouw in het ontslagrecht', dat echter niet de proeftijd bespreekt Blinde vlekken in het sociaal recht, Deventerp.

Arisa Amami AsTrA...

Ook in de rechtspraak zijn enkele tekenen te bespeuren die op een zekere verandering van klimaat wijzen. HR 29 juni NJ no. Zie ook Asser-Hartkamp II 9e dr. Rijken, Redelijkheid en billijkheid Monogr. NBW, A-5, no. En HR 13 jan. Dat sluit echter niet uit dat bijzondere omstandigheden denkbaar zijn die tot het oordeel kunnen leiden dat eisen van redelijkheid en billijkheid zich tegen het beroep op dit ijzeren karakter verzetten. Zo'n beroep kan niet worden gehonoreerd wanneer de werknemer bv.

In aansluiting aan de recente rechtspraak zullen dan zware eisen gesteld moeten worden aan de rechterlijke motivering; daaruit moet duidelijk blijken dat het onverkort vasthouden aan de termijn tot een maatschappelijk onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Het simpele billijkheidsoordeel van de rechter is in dit geval niet voldoende.

In de feiten zoals door de rb. Het ontlopen van een gesprek, op de laatste werkdag die in de proeftijd viel, kan daar niet voor doorgaan. De directeur van de onderneming had in het begin van de week, in plaats van twee medewerkers in te lichten over zijn voornemen, zelf contact kunnen zoeken met Den Haan; hij had ook eerder dan op zondag kunnen telefoneren, of woensdag een brief kunnen sturen.

De overschrijding van de termijn van twee maanden is daarom, blijkens de vaststellingen van de rb. Vernietiging van het vs. Weliswaar heeft de rb. Zij falen overigens beide. Het feitelijk oordeel van de rb. Weliswaar kan die omstandigheid niet, zoals de rb. Het geding in feitelijke instanties Met een op 11 juli gedateerd verzoekschrift heeft eiser tot cassatie -verder te noemen: Den Haan- zich gewend tot de Kantonrechter te Rotterdam met het verzoek verweerster in cassatie -verder te noemen: Nadat The Box Fashion tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 17 februari partijen tot bewijslevering toegelaten.

Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Den Haan beroep in cassatie ingesteld. Tegen The Box Fashion is verstek verleend. Den Haan heeft zijn zaak doen toelichten door zijn advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank en tot bekrachtiging van de vonnissen van de Kantonrechter. Beoordeling van het middel 3. Den Haan is op 15 oktober in dienst getreden van The Box Fashion.

In verband daarmee heeft de directeur van The Box Fashion op maandag 10 december aan een of twee medewerkers medegedeeld dat hij voornemens was Den Haan de daarop volgende vrijdag te ontslaan en dat Den Haan zich daartoe op die vrijdag bij de directeur moest vervoegen. Den Haan heeft zich niet op de opgegeven tijd bij de directeur vervoegd. Partijen hebben gestreden over de vraag of Den Haan geacht moet worden binnen de proeftijd te zijn ontslagen. De Rechtbank heeft dit oordeel in het bijzonder gegrond op de omstandigheid dat Den Haan, naar de Rechtbank niet betwist heeft geacht, het gesprek met de directeur van The Box Fashion op 14 december heeft ontlopen, terwijl hij wist dat hem in dat gesprek ontslag tijdens de proeftijd zou worden aangezegd, met de kennelijke bedoeling aldus tijdige opzegging te ontgaan.

De Rechtbank heeft daaraan nog toegevoegd dat weliswaar juist is dat The Box Fashion ervoor had kunnen zorgen dat de opzegging binnen de proeftijd werd gedaan door de opzegging eerder schriftelijk te doen, maar dat zulks nog niet meebrengt dat daarom de arbeidsovereenkomst voortduurde tot na 14 decembernu The Box Fashion geen rekening behoefde te houden met het ontlopen door Den Haan van het gesprek met haar directeur op die datum.

Tegen de hierop betrekking hebbende overwegingen richt het middel een reeks klachten. Dit sluit niet uit dat een beroep van de werknemer op een strikte toepassing van de termijn van het proeftijdbeding -in de bewoordingen van het huidige art.

Het voorgaande brengt mee dat het eerste onderdeel, dat hier elke werking aan redelijkheid en billijkheid wil ontzeggen, faalt, doch dat het derde onderdeel doel treft. De Rechtbank heeft kennelijk noch de voormelde onaanvaardbaarheidsmaatstaf aangelegd, noch aan de omstandigheden van het geval de hiervoor bedoelde hoge eisen gesteld. Het ligt voor de hand en de Rechtbank heeft dan ook vastgesteld dat zulks ook hier mogelijk zou zijn geweest, terwijl evenzeer voor de hand ligt dat een werknemer aan wie wordt opgedragen zich op de laatste werk dag van de proeftijd bij de directeur te vervoegen onder mededeling dat hem dan ontslag wacht, zich mogelijk aan dat gesprek zal onttrekken, zodat de werkgever, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, met die mogelijkheid rekening dient te houden.

De overige onderdelen behoeven geen behandeling. De derde appelgrief faalt, nu The Box Fashion geen andere omstandigheden heeft aangevoerd ten betoge dat Den Haan zich niet op overschrijding van de termijn van de proeftijd kan beroepen dan hiervoor onvoldoende zijn bevonden. De vierde appelgrief faalt eveneens, nu deze strekt tot matiging van de schadeloosstelling tot een lager bedrag dan de Kantonrechter bij zijn eindvonnis heeft toegekend, doch art.

Een en ander brengt mee dat behalve het reeds door de Rechtbank bekrachtigde tussenvonnis ook het eindvonnis van de Kantonrechter moet worden bekrachtigd. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 20 meibehoudens voor zover het vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van 17 februari daarbij werd bekrachtigd; Bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van 14 september ; Veroordeelt The Box Fashion in de kosten van het geding in cassatie, De stand van zaken in het gehele Romeins recht nam een wending met de invoering van het Corpus Iuris Civilis door keizer Justinianus.

Hierbij maakte ook de verhouding tussen borgtocht en hoofdelijkheid een verdere ontwikkeling door. Twee van de door Justinianus ingevoerde veranderingen verdienen op deze plaats bespreking vanwege de invloed die zij hebben uitgeoefend op de ontwikkeling van borgtocht, te weten de afschaffing van de procesconsumptie en de invoering van het voorrecht van uitwinning. Hiervoor bleek al dat de consumerende werking van litis contestatio een aanzienlijke belemmering meebracht voor de schuldeiser.

Zodra hij bijvoorbeeld de hoofdschuldenaar in rechte had aangesproken, zag hij zijn aanspraak op de borg tenietgaan door de werking van deze procesconsumptie.

Zie Koopsp. De schuldeiser was echter niet verplicht om de hoofdschuldenaar als eerste aan te spreken. Hij had namelijk keuzevrijheid bij het aanspreken van de persoon die de schuld als eerste diende te voldoen.

Dit gebeurde doordat Justinianus in een nieuwe wettelijke regeling heeft ingevoerd die een subsidiaire verhaalsaansprakelijkheid meebracht voor onder meer borgen. Het voorrecht van uitwinning, ook wel aangeduid als beneficium excussionis, zorgde ervoor dat de schuldeiser eerst de hoofdschuldenaar aan diende te spreken voordat hij zich kon verhalen op de borg. Welke inspanningen de schuldeiser destijds exact diende te leveren alvorens hij de borg aan kon spreken is niet bekend, maar, kort gezegd, had het voorrecht van uitwinning het karakter van een opschortend verweermiddel.

Een saillant detail in dit kader is dat vlak na de invoering van het voorrecht van uitwinning er waarschijnlijk al een grote praktijk bestond waarbij afstand werd gedaan van dit aan de borg toekomende verweermiddel. Als concept heeft het verweermiddel evenwel grote betekenis gehad, getuige het feit dat het is overgenomen in verschillende moderne codificaties. Toch was hij vanuit het perspectief van de schuldeiser nu niet meer op een lijn te plaatsen met de overige hoofdelijke schuldenaren.

/etc/frog/az-links.info

Zowel naar Frans recht als naar OBW was het afstand doen van het voorrecht van uitwinning de standaard. Zie voor een onderzoek hiernaar Jonesp. De verhouding tussen borgtocht, hoofdelijkheid en garantie De borg kon in beginsel pas in tweede instantie worden aangesproken. Bij de aanwezigheid van meerdere borgen moest hij slechts zijn eigen aandeel voldoen en zodra hij had betaald kon hij verhaal nemen op de hoofdschuldenaar.

De Franse Code Civil is een mooi voorbeeld van een moderne codificatie die zich wat betreft haar regeling van borgtocht heeft aangesloten bij de fideiussio uit het Corpus Iuris Civilis. De wijze waarop borgtocht in de Code Civil is geregeld, evenals de uitleg daarvan in de rechtspraak en literatuur, hebben in het Nederlandse recht daarom ook hun sporen achtergelaten.

az-links.info - Python Package Documentation - PDF Free Download

Op deze plaats zal allereerst worden bekeken op welke wijze de Franse wetgever de verhouding tussen borgtocht en hoofdelijkheid heeft getracht te regelen. In de Code Civil treft men voor deze verhouding geen expliciete aanduiding aan, waardoor nader onderzoek noodzakelijk is. De regeling van borgtocht in de Code Civil bouwt voor een belangrijk gedeelte voort op het voorbeeld van de fideiussio uit het Romeinse recht.

De definitie die wordt gegeven in art. Nu was het wel zo dat Pothier te kennen heeft gegeven dat wanneer er tussen de schuldeiser en hoofdschuldenaar een tijdstip voor nakoming is afgesproken, de borg niet eerder dan dit tijdstip tot nakoming kon worden gehouden.

Deze verdergaande bescherming van de borg kan worden verklaard aan de hand van nieuwe opvattingen die men had over de reden waarom iemand zich als borg zou verbinden. In plaats van de strikte plichten die voortvloeiden uit amicitia, werd het zich als borg verbinden in deze tijd gezien als een uiting van onbaatzuchtigheid. De grondslag van de aansprakelijkheid van de borg onderging in het Franse recht dus een verandering.

Als men vervolgens kijkt naar de inhoud van de primaire verbintenis van de borg, dan blijkt dat hij nog steeds dezelfde prestatie moet verrichten als de hoofdschuldenaar. Hij verbindt zich tot nakoming van dezelfde verbintenis, zij het onder de nieuwe omstandigheid dat er sprake moet zijn van een tekortkoming in de nakoming bij de hoofdschuldenaar. De vraag die nu rijst is of deze 45 46 47 48 49 22 Pothiernr. Hij die zich voor een verbintenis borg stelt, verplicht zich jegens de schuldeiser, aan die verbintenis te voldoen, indien de schuldenaar niet zelf daaraan voldoet.

Zie Pothiernr. De verhouding tussen borgtocht, hoofdelijkheid en garantie verbintenis binnen het regime van de Code Civil te kwalificeren valt als een hoofdelijke verbintenis. In de Code Civil wordt in art. Vanuit deze definitie bezien, zou de verbintenis van de borg wellicht kunnen worden gekwalificeerd als een hoofdelijke verbintenis. Ook de borg is immers gehouden om dezelfde prestatie te verrichten door de verbintenis van de hoofdschuldenaar te vervullen, indien deze dat zelf nalaat.

Dit komt omdat in art. Dit artikel vereist voor hoofdelijkheid een uitdrukkelijke afspraak daartoe tussen partijen dan wel een wettelijke grondslag. Dit betekent dat de verbintenis van de borg op basis daarvan dus niet te beschouwen valt als een hoofdelijke verbintenis. In de titel over hoofdelijke verbondenheid van schuldenaren zijn zowel impliciete als expliciete verwijzingen naar de regeling van borgtocht te vinden. Naast deze impliciete verwijzing, bevat art. In dit artikel wordt bepaald dat een hoofdelijke schuldenaar die niet draagplichtig is, zich tegenover zijn medeschuldenaren intern verhoudt als borg.

De formulering van dit artikel roept de vraag op, of in dit geval de rechtsfiguren van 50 51 52 Vgl. Les Obligations, Parijs p. Zie over de hoofdelijke verbintenis door partijafspraak nr.

Wanneer men kijkt naar de uitleg die aan dit artikel wordt gegeven in de rechtspraak en literatuur, dan moet deze vraag negatief worden beantwoord. Volgens de heersende leer wordt met de inhoud van dit artikel niet beoogd om de verbintenis van de hoofdelijke schuldenaar tot die van een borg te herkwalificeren. Sterker nog, het artikel geeft slechts een grondslag voor de schuldenaar om voor de gehele schuld verhaal te kunnen nemen op zijn intern draagplichtige medeschuldenaren.

Hij is niet te beschouwen als zuiver hoofdelijke schuldenaar, vanwege het ontbreken van interne draagplicht. Hij wordt in de Franse literatuur ook niet als borg beschouwd omdat hij bijvoorbeeld geen beroep kan doen op de aan de borg toekomende regeling van subrogatie en zich niet kan beroepen op de verweermiddelen van zijn draagplichtige medeschuldenaren.

Zoals gezegd is de verbintenis van de borg naar Frans recht in beginsel niet te beschouwen als een hoofdelijke verbintenis. In de titel over borgtocht, in art. De verhouding tussen borgtocht, hoofdelijkheid en garantie de schuldeiser en de borg hoofdelijk zou worden gemaakt. Op welke wijze de hoofdelijke borgtocht gestalte moest krijgen, werd dus overgelaten aan de doctrine en rechtspraak.

Het Cour de Cassation verschafte aan het begin van de 20ste eeuw duidelijkheid over de status van de hoofdelijke borg. In een fundamenteel arrest bepaalde hij dat de partijafspraak die de overeenkomst tot een hoofdelijke borgtocht maakt, de aard van de borgtocht niet wijzigt. In essentie zijn de verschillende rechtsgevolgen, die voor de hoofdelijke borg gelden, te herleiden tot het verlies van de voorrechten van uitwinning en schuldsplitsing en de toepasselijkheid van enkele bepalingen uit de titel van hoofdelijkheid.

Zie Simlerp. Het Franse zekerhedenrecht is in op verschillende punten grondig herzien. Op het gebied van persoonlijke zekerheid is het echter niet geheel stil gebleven.

Het Franse burgerlijk recht is daarmee internationaal gezien een voorloper omdat de onafhankelijke garantie in de financieringspraktijk regelmatig wordt gebruikt, zonder dat deze figuur in andere landen is gecodificeerd. Het ongewijzigd laten van het borgtochtrecht is niet zonder kritiek gebleven. De vooraanstaande Franse auteur Simler ziet het als een gemiste kans dat bij de herziening van het Franse zekerhedenrecht de borgtocht ongemoeid is gelaten.

Daarnaast zijn veel van de wetsbepalingen inzake borgtocht op dit moment aan te treffen in regelingen buiten de Code Civil. De verhouding tussen borgtocht, hoofdelijkheid en garantie regeling van Simler wordt evenwel geen aanzet gegeven tot een andere ordening van hoofdelijkheid en borgtocht in de Code Civil. Concluderend kan worden gezegd dat borgtocht en contractuele hoofdelijkheid naar Frans recht gezien moeten worden als dogmatisch te onderscheiden rechtsfiguren.

B I J Z O N D E R E B E D I N G E N

Gelet op het feit dat zowel de regeling van hoofdelijkheid als die van borgtocht veelvuldig naar elkaar verwijzen, is een dergelijke scheiding niet meteen de meest voor de hand liggende keuze.

Zeker als men kijkt naar de minieme verschillen in de rechtsgevolgen die verbonden zijn aan beide tussenfiguren, kan dat een scheiding van de rechtsfiguren maar moeilijk rechtvaardigen. Hiervoor is al aangegeven dat de regeling van borgtocht in het Franse recht en het OBW vrijwel identiek zijn. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat onder de vigeur van het OBW de verhouding tussen borgtocht en hoofdelijkheid moeilijk viel vast te stellen.

Een groot gedeelte van de discussie en meningsvorming dat is ontstaan naar aanleiding van beide regelingen komt dan ook overeen. Er zijn echter tussen beide ook verschillen aan te wijzen in de doctrine. Als voornaamste punt van verschil kan daarbij de discussie worden genoemd die onder het OBW opkwam over de hoofdelijke borg. Door middel van een opstellenreeks in het WPNR zette Paul Scholten de toon door te stellen dat de borg gezien moest worden als garant, in plaats van als hoofdelijke schuldenaar.

Het bleek echter al dat hier niet werkelijk sprake is van hoofdelijkheid, zie Simlerp.